Toekomstig Accountancy Onderwijs

Gelezen column op FAN Congres (Financiele en Accountancy Opleidingen voor de nieuwe economie)

5 juli 2016

Marjon van Opijnen

 

Het zal jullie niet zijn ontgaan dat vanaf 1 mei 2017 alle accountants een eed moeten hebben afgelegd. De eed gaat over het erkennen van het algemeen belang van het accountancyvak voor het welzijn en de welvaart van onze samenleving en is mede bedoeld het vertrouwen in het vak te herstellen. Door het uitspreken van de eed wordt iedere accountant gedwongen een verbinding te maken met zijn eigen geweten.

Stel je nu voor dat zelfbewuste studenten in 2020 gaan zeggen: “die eed ga ik niet afleggen, want deze opleiding heeft mij onvoldoende opgeleid om mijn vak goed uit te kunnen oefenen en de consequenties van mijn handelen voor de samenleving te overzien.”

Evenals het onderwijssysteem is het accountancysysteem verstard en geworteld in het oude. In tijden waarin verandering sneller gaat dan ooit tevoren, leren we onze studenten binnen de lijnen te blijven. We leren onze studenten hoe zij de vereisten voor de implementatie van keurmerken of claims als ‘wij gebruiken 100% groene stroom’ te borgen. We leren ze de symptomen van het falende systeem te lijf te gaan en hoe de compliance ten aanzien van mainstream duurzaamheidspraktijken vorm te geven.

We laten na, ze antwoorden te leren ontwikkelen voor de fundamentele oorzaken van de huidige problemen die diep geworteld zijn in onze systemen.

Het is onze taak accountants op te leiden tot integere individuen, die de integraliteit en verbanden in ons economisch en maatschappelijk systeem kunnen interpreteren en doordenken en daarnaast hun handelen kunnen toetsen aan hun eigen geweten. Dat betekent dat we onze studenten moeten leren in te kunnen spelen op complexe problematiek en nieuwe vraagstukken waar de wereld voor komt te staan.

Ook diverse Finance en Accountancy opleidingen realiseren zich dat grondige en integrale herziening van het curriculum onvermijdelijk is om studenten voor te bereiden op de toekomst. Maar mijns inziens vraagt het nog twee andere zaken.

 

Ten eerste, fundamentele verandering toornt aan onze denkkaders. Einstein zei ooit, “problems cannot be solved with the same mindset that created them”. De dominante denkkaders in ons onderwijs zijn een spiegel van de denkkaders in de samenleving en onze economie. Denkkaders die we met de paplepel ingegoten hebben gekregen. Als we hier geen bewustzijn op creëren is het een illusie dat we de integrale context van alle systemen zien en in staat zijn een nieuwe economie te creëren die volhoudbaar is. Het is dus noodzaak onze eigen denkkaders en die van onze studenten te exploreren en verleggen.

Nieuwe denkkaders exploreren vraagt om de beleving van deze denkkaders, zodat we ze daadwerkelijk volledig eigen kunnen maken, net zoals we onze huidige denkkaders belichamen. Dat betekent dat ik als docent dat wat ik doceer over de nieuwe economie moet voor leven en continue experimenteer hoe ik de levende voorbeelden in de klas kan creëren.

Dit doet dus ook een appèl op ons als docentencorps in de ontwikkeling en implementatie van nieuwe didactische methoden die ons aanspreken op ons geweten en onze eigen innerlijke ervaring en beleving van huidige en nieuwe denkkaders. Ik gebruik in de klas hiertoe werkvormen uit de Art of Hosting, opstellingenwerk, scenarioplanning, Theory U, NLP en lichaamswerk. Zo laat ik studenten levende beelden maken waarin zij bijvoorbeeld leiderschap of vrijheid als leidend principe in de economie uitbeelden. Dit maakt de principes visueel en geeft de student de kans daadwerkelijk te voelen hoe het is om in een zelfgecreëerd beeld op basis van ons denkkader te staan. Daarnaast, creëer ik communities of learning and practice waar we denken uit overvloed en iedereen een bijdrage levert ten behoeve van het geheel.

Maar het appèl dat op ons als docenten wordt gedaan gaat verder dan de ontwikkeling van nieuwe didactische vormen. Wij als docenten moeten het levend voorbeeld zijn en samen met onze studenten een bredere blik ontwikkelen op systemen en maatschappelijke transformatie.

 

Dat brengt mij op het tweede punt dat ik wil maken. De taak van het onderwijs is studenten mee op reis te nemen in mogelijke toekomstbeelden en trends die gaan leiden tot fundamentele vernieuwing van ons maatschappelijk en economisch systeem. Daarom maak ik in mijn klassen ruimte te onderzoeken welke toekomst we voor ons zien en welke toekomst we wensen. We onderzoeken wat de consequenties van ons huidig en toekomstig handelen zijn voor het grotere geheel en niet alleen voor de gecontroleerde partij. We moeten onze studenten leren te denken vanuit hele systemen, zodat ze onderliggende patronen leren interpreteren en de onderlinge samenhang zichtbaar wordt.

Om een paar voorbeelden te noemen, we moeten ze laten nadenken over een jaarrekening van Apple waarin de externe effecten en maatschappelijke gevolgen niet zijn geïnternaliseerd. We moeten ze laten berekenen wat de daadwerkelijke waarde van de geactiveerde oliereserves van Shell is als we deze reserves zouden toetsen aan de afspraken die op de klimaatconferentie in Parijs zijn gemaakt. Sterker nog: hoe legaal is het dat huidige accountants met hun handtekening zonder blikken of blozen verklaren dat de jaarrekening een getrouw beeld van de werkelijkheid geeft, terwijl we mondiaal hebben afgesproken dat deze voorraden feitelijk onwinbaar zijn?

Een laatste voorbeeld:  we moeten onze studenten zich een oordeel laten vormen over Starbucks’ slimme – wellicht juridisch correcte – bedrijfsconstructies waardoor zij slechts 434.000 euro winstbelasting betaald aan de Nederlandse samenleving. Zou de eed waarin de accountant verklaart te handelen in het algemeen belang, betekenen dat accountants weigeren de jaarrekeningen van deze bedrijven te ondertekenen?

Accountants zijn niet alleen de hoeders van de risico’s van de gecontroleerde partij, maar misschien nog wel meer de hoeders van de risico’s voor het algemeen belang!

 

Kortom, vanuit de gedachte van de nieuwe economie dient de accountant meer dan ooit dienstbaar te zijn aan de samenleving. En als wij, als docenten, onze studenten niet voorop gaan hierin en ze niet voorbereiden op nieuwe tijden, wie doet het dan wel…..

Laten we er met z’n allen voor zorgen dat onze studenten in 2020 vol overtuiging en met trots een eed af leggen omdat ze weten dat wat zij doen maatschappelijk relevant is en bijdraagt aan het welzijn van het grotere geheel.

Valuing the created

In our training and consultancy proposals, Damaris and I experiment with different ways of valuing what we create. Currently, value creation afterwards based on a minimum and maximum price is under our exploration. I’d like to share our experiences so far.

 

Why?

In our transaction based economy there are always at least two parties involved in each transaction. One party offers what the other party needs, this offer and the need has a certain value for either party. We usually value this based on a monetary price that may or may not be negotiated. The price is not necessarily based on the real value that is created or the real costs that are made, other less transparent elements like scarcity, power relations, marketing and availability play an important role. In fact, valuation in itself is one of the most intransparent aspects of our economy as we know it today. Interesting to shed some light on this as the transition to a sustainable economy demands new ways of valuation.

With value creation afterwards based on a minimum and maximum price, we aim at contributing to the search to new ways of valuing the created value. When the relation accepts our proposal, it accepts the minimum price. The minimum price is the price that we feel is worth sharing our expertise and experiences and also covers basic costs we make. The maximum price represents for us a well-paid and sufficient income, which is based on the income distribution that suits new ways of organising our society and allows us to offer the same services to less fortunate relations as well.

After the execution of the proposal, it is up to our relation to determine what the actual value is of what we created and shared. We trust that our relation can make the necessary consideration to come to a price that represents the created value. An additional question we ask our relation: ‘What is it worth that we can continue our work and continue sharing new thinking and new ways of working that contribute to an economy that is sustainable and good for all?’

 

What are our experiences so far?

Not so long ago we executed an evening programme of three modules for private people in Amersfoort, the Netherlands. The experiment worked out well, the three sessions together were valued with a significant top up, that doubled our income for the evening sessions. Nevertheless, we received different feedback on our pricing system. Some people commented that the maximum could have been higher. Others did not agree with the minimum, they argued that if you do this the pricing should be entirely open and there should not be a minimum at all. However, how we look at it now is that we like to share the risks of costs together with the ‘client’. There is, after all, a demand in advance for our services that are worth a minimum.

Our first experiment with business went extremely well. We got the maximum price we had offered. However this was a small and flexible company where our pricing method was easily digested.

In both cases the result was that we felt really valued by our clients. We were even more happy then we were already because of this ‘freely determined value’ that resembled our added value for them. We felt honoured for what we did.

Our experiment is more challenging in larger business environments where budgets seem to have priority over value creation. Budgets are determined beforehand at different departments, the created value afterwards. So at one instance, our relation determined the price and reserved a certain budget prior to our services. Nevertheless still a valuable value creation, in the sense that the relation has to consider how much the process is worth. The downside is that it does not represent the value that we created.

 

Although this may not be the entire result we aimed at, we will continue our experiment. We want to put in practice what we preach. And we expose our relations to new ways of doing business that we regard important.

Gadget society…. or gadget marketing….

Yesterday, I found a small package on my doormat, addressed to the residents of this address. At first I thought: ‘that is nice of the municipality, a little gift for the hassles of the construction works in our area over de last year….’

When I opened it, I found a (Witte Reus) toilet block. All of a sudden I possessed a toilet block I would never buy and I even do not want to have. Usually I refuse 9 out of 10 gadgets I get offered. But this one…. sent by mail….

A few years ago I was offered an iPod that came together with a membership. I refused it and mentioned that on my application form. When I received all documents, they also sent me the iPod, not taking any notice of my desire to get a membership without gadget. I returned the iPod and included a little letter saying that I didn’t need it and that they could probably make somebody else happy with the thing. To my surprise, a few days later I received a second iPod. I gave that one to somebody else.

Now, I eneded up with this toilet block, nobody asking me whether I desired it and ignoring my desire not to receive it. Anyhow…. whatever I do it’s in my possession. I can use it, so that at least it does do the job, and it will end up in the sewage. I can throw it away and it will end up in the litter unused. I can give it to somebody else and it will either end up in the sewage or litter through that person. I can return it to ‘Witte Reus’ and make a statement. Although it will most likely still end up in the litter and be produced for nothing….

Watching, watching, not buying

This week is THE don’t buy anything week. A plead for other ways of ownership and reconsideration what we really need. How do our belongings contribute to our happiness. Do they actually contribute and to which level?

Today a special section in the Volkskrant about THE don’t buy anything week. Damaris Matthijsen, one of the founders of LfEC, was interviewed and the following was written:

“Opricher van Economy Transformers, Damaris Matthijsen, snapt wel waarom een koopstop zo veel commentaar oproept: ‘We hebben het vrijheidsprincipe als basis van onze economie. De vrijheid iets te kopen, hoort daar ook bij. Daar mag niemand aankomen, dat is de sociale pikorde die we kennen en waar we ons veilig bij voelen. Maar omdat de economie nu dus is gestoeld op competitie en groei, voel je je juist heel onvrij. Door de mondialisering van de markt worden we steeds uniformer; tegelijk proberen we uniek te zijn met onze producten. Om je te kunnen onderscheiden, moet je de hele tijd de eerste zijn.’
Vrijheid hoort niet thuis in de economie, zegt Matthijsen. ‘We kennen de vrije markt of meer regulering daarvan. Meer is er eigenlijk niet, denken we, maar er is meer. Omdat alle schakels in de productieketen fundamentaal afhankelijk van elkaar zijn, werkt samenwerken veel gezonder dan concurrentie. Dan komt de economie meer tot rust en bloeit ze eerder dan dat ze instort. Maar de economie moet daarvoor wel anders worden gedefinieerd en georganiseerd.’

The entire article can be found in Volkskrant of October 1, 2013. We are unfortunately not allowed to publish the entire article here.